1x rechts, 2x links

De weg was afgesloten. De verkeerslichten knipperden. Her en der verspreid stonden busjes met zwaailichten achter de afzetting van roodwitte linten. Er stonden mensen met oranje hesjes en politieagenten die iets aan het regelen en coördineren waren. Natuurlijk, ik herinnerde mij ineens dat ik had gelezen over een ontspoorde tram. Maar dat was op internet en ik had er geen rekening mee gehouden dat ik ook daadwerkelijk de ontspoorde tram tegen zou komen.

Ik moest toch echt precies aan de andere kant van de opstopping zijn. Fietsers kunnen altijd overal langs. Er is altijd wel een gaatje waar je door kunt. Ik denk dat een fietser desnoods zijn fiets optilt om hem over de opstopping heen te tillen, om aan de andere kant weer op te stappen en verder te rijden.

Vol vertrouwen fietste ik de weg in, in de veronderstelling dat het gat zich wel zou openbaren. De afzettingslinten waren als schrikdraad waar ik bij uit de buurt wilde blijven en bij het beoogde gat stond een verkeersregelaar. Ik laat me altijd gedwee managen door verkeersregelaars, dus ik vroeg hoe ik er langs kon. “Dat kan niet”, zei hij. Maar ik moet daar heen, zei ik, en ik wees naar een plek achter hem en zijn linten. “Je kunt hier rechts,” zei hij, “en dan doorrijden en links en links en dan kom je bij mijn collega aan de andere kant.”

Ik ging rechts en kwam op plekken waar ik nog nooit was geweest. Ik had nooit een reden gehad. Het was geen woest en ledig landschap. Er waren sportvelden en gebouwen en ik zag mensen die hier wel expres naartoe waren gegaan. Het was nog geen honderd meter verwijderd van mijn vertrouwde route, maar toch voelde ik mij een enigszins ontheemd. Zou die afslag naar links wel komen? Ik had graag een stippellijn in de richting van mijn bestemming gezien.

Het duurde niet heel lang en het was precies zoals de man gezegd had: rechts en twee keer links en je ziet mijn collega. Ik keek nog even naar de geschaarde tram en fietste naar mijn afspraak.

Die dag fietste ik van locatie naar locatie en op het eind van de werkdag weer richting huis. Zie ik in de verte toch weer een afgesloten weg. Het komt slecht verzonnen over, maar toch was het waar. Wat zou daar nou weer aan de hand zijn? Volgens de inmiddels bekende omrijmethode ging ik deze opstopping omzeilen: ruim op tijd ging ik rechts en daarna twee keer links.

Bij de tweede links stonden twee agenten en een groepje mensen met dezelfde strategie als ik. We konden niet verder, want er was een gaslek. Kon ik dan vanaf dat punt nog een keer rechts en twee keer links, misschien? Rechts liep het spoor en links het water en vooruit bevond zich het gaslek. Er was alleen rechtsomkeert en daar hou ik niet van. Ik wil liever een rondje, of desnoods een omweg, in plaats van heen en weer. Ik keerde om en stelde me voor wat er zou gebeuren als het gaslek tot een ontploffing zou leiden. Maar er gebeurde niets. Ik fietste langs allemaal bekende wegen, genoot van bekende uitzichten en kwam ongeschonden thuis.