Geluid

Ik zit met een kop thee in de achtertuin. Naast me hoor ik het zachte gezoem van een langsvliegende hommel. Hij landt in een schijnpapaver en loopt rondjes over de meeldraden. Ik hoor het korte herhalende scherpere gezoem als hij het stuifmeel lostrilt uit de bloem om te kunnen oogsten. Hij stijgt weer op en doet een volgende bloem aan, die al bezet blijkt. Bijna teder botst hij tegen zijn collega op. Met dat ronde lijfje en kleine vleugels duurt het even voor hij heeft bijgestuurd en op weg kan naar een volgende beschikbare bloem.

Ik fiets langs het water met aan de oever een plukje riet. Daar zit een rietzanger in te zingen. Ik zie hem niet. Ook niet als ik stop en probeer te kijken waar het geluid vandaan komt. Zo’n rietzanger is een miniatuurhardrocker met raspende stem. Hij zingt zonder pauze minutenlang door. En hij is bescheiden gebleven. Zingt onzichtbaar tussen de coulissen.

Ik loop met R door de wijk. In een smalle rustige straat, aan de overkant van het water, staat het busje van een pakketbezorger met een wachtende auto erachter. Met een pakket onder zijn arm staat de bezorger voor een raam een huis in te kijken. Hij bonst op het raam. Niet een beetje tikken met een vingerknokkel, maar bonzen met zijn hele arm. Ik denk dat hij door het voorraam en het achterraam mensen in de achtertuin ziet zitten, maar ze reageren niet. Hij houdt het behoorlijk lang vol, dat bonzen. Ik snap het wel, zo dicht bij je doel en dan onverrichterzake weer weggaan, dat is onverteerbaar. Uiteindelijk loop hij door naar de buren om het daar te proberen.

Ik zit groepsgewijs tot mezelf te komen in een werfkelder. Ik kan wel wat stilte gebruiken. In de stad wordt altijd gewerkt. Buiten, op de kade, voor de ramen van de kelder, arriveren twee mannen met machines. Iets met benzinemotoren die ze aanzetten en waarmee ze minutenlang knetterend heen en weer lopen, zonder hoorbare logica. Ze geven gas en en laten weer los, kort-lang-kort-kort-kort-kort-lang. Tussendoor laten ze de motor even stationair draaien. Ze geven gas en laten weer los. Zij hebben vast gehoorbescherming op, maar ik niet. Er tikken opwaaiende steentjes tegen de ramen. Soms is het geluid van werkende mensen dat de ruimte binnenkomt een prettig contrast met de stilte binnen. Maar dit kabaal verdrijft de stilte wel heel radicaal. Ik geef het op. Tussen dit lawaai is geen stilte te vinden.