Handen

Ik was eindelijk weer eens in het Kunstmuseum in Den Haag. Zoals meestal in een museum, loop ik met mijn handen op mijn rug. Omdat ik nergens aan mag zitten. En mocht ik het vergeten, dan is er wel een bordje met “niet aanraken”. Ja, ik weet het: kijken doe je met je ogen en niet met je handen. En kunst is kwetsbaar, ook al ziet het er stevig uit. Of het is helemaal niet kwetsbaar, maar je mag er toch niet aan zitten. Mijn uit-stekende en rondzwaaiende handtas ligt veilig in een kluisje. Ik heb alleen mijn telefoon en portemonnee in mijn zakken en mijn handen op de rug.

Om te beginnen ga ik naar de zaal waar een tweetal strandbeesten van Theo Janssen zijn neergezet. Dat zijn grote constructies van pvc-buizen en tie-wraps, die zelfstandig kunnen voortbewegen als ze wind in hun zeilen krijgen. Ze komen het best tot hun recht op het strand. Aan de twee beestconstructies mag je ineens wel zitten, maar ik heb geen zin. Wachten op mijn beurt en dan even zo’n ding heen en weer trekken, zodat zijn pootjes gaan bewegen; ja zeg, alsof ik andermans hond heel even uit mag laten. Zo’n voorgekauwde beleving, dan hoef ik niet meer. Ik bekijk de mensen die aarzelend en voorzichtig de beesten laten schuifelen en loop met mijn handen op mijn rug door naar de volgende zaal.

De vazen van Morten Løbner Espersens, dáár zou ik graag aan willen zitten. Uit de kluiten gewassen urnen met dikke lagen glazuur in kleurige grillige klonters staan opgesteld in het midden van de zaal. Ze zijn, pak ‘em beet, 80 cm hoog en bestaan bijna meer uit glazuur dan uit klei. Ik druk mijn handen nog wat steviger op mijn rug en kijk naar de koele gladde glazuurbulten. Ik stel me voor hoe ze aanvoelen en hoe zwaar ze zijn. Ronde rotsen van klei. De kleine robuuste vaasvormen die hij tijdens de corona lockdown heeft gemaakt zou ik willen wegen op mijn hand, tegen het licht houden en weer neerzetten.

Ik loop ook nog even langs bij de Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan. Dat schilderij hangt helemaal ingepakt achter glas in een grote lijst. Het is niet een heel groot doek, maar doordat het een vierkant op de punt is, is het wel een hoog. Het is zo opgehangen dat het midden van het schilderij boven ooghoogte is. Als ik me zou strekken en op mijn tenen gaan staan, dan nog zou ik niet bij de bovenste hoek kunnen komen. En wat zou ik dit schilderij graag even betasten. De strenge ordening op het doek is zo prettig informeel tot stand gekomen. De gekleurde stukjes tape, opgeplakt om te kijken of het schilderij nog swingender wordt, die zijn juist zo sympathiek. Als Mondriaan niet was overleden voor hij klaar was met het schilderij, zou hij ze hebben vervangen door olieverf. Ik zou even willen voelen of die stukjes tape na al die jaren nog een beetje stevig vastzitten. Ik zou er niet aan trekken, maar alleen een heel klein beetje druk uitoefenen. Ik kan zoiets echt heel voorzichtig, zonder schade. Zoals ik in de winkel aan een avocado voel of hij rijp is. Als je dat met gevoel doet, dan krijgt een avocado ook geen beurse plekken. Ze zouden voor mij best een uitzondering kunnen maken.