Ik verlies iets

Ik hoor ze al van verre: de groep fietsende middelbare scholieren. Eerst hoor ik een gekwetter, als een groepje spreeuwen. Pas als ze dichtbij zijn hoor ik individuele stemmen klinken. Ze lijken te functioneren als één samengevoegd organisme. Hun hersenen en hun fietsen bewegen synchroon. Als door een wonder botsen ze niet op elkaar, ook net als spreeuwen in een zwerm.

Een jongenskop maakte zich los uit de puberkluwen en kijkt mijn kant op. Hij gaat staan op de trappers en richt zich nadrukkelijker in mijn richting. Met ruggensteun van de groep durft hij dingen die hij alleen niet durft. Ik hoef hem ook niet als individu te zien op dat moment, maar als een representant, een vooruitgeschoven post. Hij kijkt me aan en roept: “Mevrouw, u verliest wat!”

Ik weet dat hij het zegt voor zijn groep en niet voor mij. Hij is uit op mijn reactie. Als ik blijk geef van schrik en ga kijken of er iets achter mijn fiets aan sleept, dan is zijn doel bereikt. Ik weet heel zeker dat er geen onderdelen van mijzelf of mijn bagage dreigen los te raken. Toch kan ik niet anders dan in mijn hoofd even nagaan of ik inderdaad niets verlies. Schoudertas: check. Rugzak: check. Dat gaat automatisch.

Het gebeurt wel vaker dat ik ga nadenken over opmerkingen van mensen als ik dat eigenlijk helemaal niet wil. Op een feest kwam kwam ik aan de eettafel naast iemand te zitten die ik niet kende. We aten gekruide kikkererwten, gemarineerde wortel en couscous. Toen het gesprek pas tien minuten oud was vroeg ze: ben je gelukkig? Bij zo’n vraag op zo’n moment is een ontwijkend antwoord ook geoorloofd. Toch ging ik intern na hoe het stond met mijn geluksgevoel in het algemeen en op dat moment in het bijzonder. Het ging automatisch. En ik zei: nee, ik geloof niet dat ik gelukkig ben. Achteraf bezien was dat niet waar en niet onwaar. Leg dat maar eens uit voor het toetje wordt geserveerd.

De roepende jongen op de fiets zet er nog een tandje bij en herhaalt, nu iets luider: Mevrouw u verliest wat! Ik gun hem geen reactie en fiets zo onbewogen mogelijk door. Als ik al lang en breed ben gepasseerd hoor ik hem nog steeds roepen.

En of ik wat verlies. Aan verliezen geen gebrek. Breek mij de bek niet open. Verliezen is aan de orde van de dag. Dat had ik terug moeten roepen naar die jongen van veertien: Ja, ik weet het! Ik verlies iets! Maar er zijn nog steeds voorraden genoeg! En naast verlies komt er ook nog van alles bij! Hou dat even veertig jaar in je achterhoofd en dan komt het allemaal goed!