Moeten zeggen

Ik rijd met R door de stad waar ik ben opgegroeid. “Kijk,” zegt hij, “hier woonde de tandarts.” Ooit was dat mijn tekst.

Daar woonde de tandarts in een groot huis met krakende donkere vloeren. ‘s Morgens moest je een nummertje trekken. Geen afspraak via de telefoon, maar om acht uur een nummertje trekken, naar huis en weer terug als je aan de beurt was. De tandarts had vingers met nicotinevlekken die naar shag smaakten. Dat kon ik proeven als hij mijn gebit controleerde en zonder verdoving een gaatje boorde om te vullen met amalgaam.

Misschien had ik te vaak dezelfde opdringerige herinnering uitgesproken op dezelfde plek.

We zitten in de auto naar Groningen. We rijden langs Almere, Lelystad en Oosterzee. Als R het bord bij de afslag naar Oosterzee ziet, kijkt hij in de richting van het plaatsje, dat vanaf de snelweg niet te zien is, en zegt: “Hier had Karel zijn kerk.” Ik hoef alleen maar te knikken, want ik weet het. We zijn er een keer geweest, hebben de kerk waar Karel dominee was van binnen gezien. En ik had me verbaasd over hoe plat de aarde was in Oosterzee. Het is bij één bezoek gebleven en het contact met Karel is uitgedoofd.

Een week later rijden we dezelfde route naar Groningen. Bij de afslag Oosterzee zegt R: “Hij was hier gaan wonen om dichter bij zijn moeder te zijn.” De opmerking van een week eerder ligt nog vers in het geheugen en deze tweede opmerking, waarbij Karel niet eens bij naam genoemd hoeft te worden, sluit daar naadloos op aan.

Soms is de drang om te vertellen over mensen die met plaatsen zijn verbonden heel sterk. In een gesprek met kennissen komt het plaatsje Mook ter sprake. Zodra ik de naam Mook heb gehoord komt er diep uit mijn geheugen een volstrekt onbelangrijke herinnering vrij. In mijn hoofd worden de woorden “juf! biljarten! neef!” gescandeerd. Ik ben de concentratie voor het gesprek dat ik aan het voeren ben even helemaal kwijt. Juf, biljarten, neef, biljarten, juf, neef. De woorden zijn zo drammerig dat ik mijn mond dicht moet houden om te voorkomen dat ze er uit vliegen in de vorm van een leuk weetje over Mook. Niemand is geïnteresseerd in het verhaal dat bij die woorden hoort, zelfs ik niet. Niemand hoeft te weten wat mijn 10-jarige ik interessant vond, iets dat mij een zeer zwakke binding gaf met Mook. Ik houd stand, ik houd mijn mond. Het gesprek gaat van Mook naar andere plekken en de associaties verdwijnen naar de achtergrond. Ik wil zelf bepalen in welke context de woorden hun zegje mogen doen.