Pad

De Utrechtse binnenstad. Prachtige singels. En omdat het allemaal nog veel mooier gaat worden wordt er al vijftien jaar gewerkt om het stationsgebied te vernieuwen en te verfraaien. Zo lang als die zich telkens verplaatsende bouwput er is, fiets ik er langs, over steeds wisselende fietspaden, die telkens met nieuwe belijningen en rode verf worden aangeduid. Een poosje moest ik zelfs dóór een gebouw fietsen.

Ik dwaal af.

Op een druk moment van de middag, vlak voor de echte avondspits, want het kan nog veel drukker, fiets ik over de Catharijnesingel. Ik volg de meanderende lijnen van het fietspad over een mozaïek van stukken asfalt, tegels, klinkers en beton. Ik heb geen haast. In de verte zie ik al een rustige meute voetgangers de weg van mijn links naar mijn rechts oversteken. Dit is de tijd dat mensen na een dagje gezellig in de stad weer naar het station en huiswaarts gaan.

Ik trap niet meer, maar laat mijn fiets uitrollen in de hoop dat ik voor ik stilval weer kan optrekken en vaart maken. Het overgrote deel van de mensen is al overgestoken en de menigte is uitgedund. Het voetgangerslicht is inmiddels weer op rood. Nog druppelsgewijs lopen mensen de weg over. Voor fietsers is er op deze kruising geen verkeerslicht. Wij hebben onze eigen vrije doorgang parallel aan de rijbaan. Inmiddels ben ik de voetgangers op enkele meters genaderd. Mijn snelheid is nog slechts stapvoets, maar ik wil liever langzaam rijden dan afstappen. Een paar mensen stoppen voor de fietsers die tegelijk met mij aan komen rijden en mij voorbij gaan. Dat zijn fietsers die gewoon doorsjezen en hun recht op doorgang opeisen. Ook dat gaat zonder ongelukken.

Eén man in het bijzonder, kijkt heel goed uit. Het is een man met een zelfverzekerde blik, die weet wat hij wil. Wat in dit geval het bereiken van de overkant is. Hij kijkt mij aan, ik kijkt hem aan. Ware het niet dat anders afliep, dan zou ik durven zeggen dat ik mij geheel gezien voel in mijn verkeersdeelnemerschap. Dat is een prettig gevoel. We kijken elkaar in de ogen. We weten beiden dat de ander ons luid en duidelijk aan ziet komen. Ik verwacht dat hij zal stoppen en rijd door. Hij loopt door. Ik slinger om hem heen. Hij roept: Hállo! Ik roep terug: Halló! Dan roept hij tegen mijn rug: Zebra! En ik roep: Nee, hoor!