Tongkant

Ik lig in de stoel van de mondhygiëniste. Ik kom hier al een paar jaar en herken haar nog steeds niet. Het kan zijn dat ik iedere keer een andere hygiëniste heb. De tandarts herken ik aan haar stem en ook de vrouw bij de balie herken ik. Dat wil zeggen: die twee herken ik in deze context. Grote kans dat ik hen verder nergens zou herkennen. Ik zou de mondkapjes als argument voor het niet herkennen kunnen aanvoeren, maar dat is het niet. Aan mijn gebrek aan herkenning, herken ik mijn eigen reductie tot functie van deze levende mensen. Tegelijkertijd voel ik mij een klusje in de stoel. Een schoonmaakprojectje. Een mond met een mens eraan.

Ik laat mij reinigen en hoef geen moment mijn linkerhand op te steken voor een pijnpauze. De mondhygiëniste heeft zachte en doortastende handen. Ze heeft een kleine opmerking: mijn tandvlees aan de tongkant is een klein beetje ontstoken. Oh ja?, zeg ik. Daar weet ik niks van. Ik moet daar ietsje meer het tandvlees meenemen bij het poetsen, zegt ze, als het een beetje overdreven voelt, dan doe ik het goed. Oké, zeg ik en zwijg verder met open mond.

De tongkant, de tongkant, wat is eigenlijk de tongkant? Ik heb dat woord nog nooit gehoord, zelfs niet bij de tandarts. Waarom zegt ze niet “de binnenkant”? Of de onderkant? Het zal wel zoiets zijn als op een schip. Daar heb je ook bakboord en stuurboord, die als plaatsbepaling op een vaste plek liggen. Links en rechts is onhandig, dan moet je je alsmaar verplaatsen in het standpunt van degene die het zegt.

De mondhygiëniste navigeert rond een openstaande mond, waarbij ze misschien ook niet meer ervaart hoe een mond is zoals deze in het dagelijks leven functioneert in een gezicht. En zij kijkt van bovenaf naar binnen. Dan heb je een tongkant, neuskant, kinkant en wangkant. Maar je ontkomt niet aan links en rechts: tongkant links, neuskant rechts en wangkant aan beide zijden. Gekeken vanuit de mondbezitter.