Vliegje

Ik heb al wat vaart gemaakt op de fiets als ik iets op mijn linkerhand voel kriebelen. In plaats van meteen te krabben of te wrijven, kijk ik even. Er zit zo’n minuscuul klein zwart vliegje. Nog kleiner dan een speldenknopje en nagenoeg gewichtloos.

Veel van zijn soortgenoten hebben het leven gelaten toen ze mij in hun luchtruim troffen. Verdronken in mijn traanvocht als ze in mijn ogen vlogen. Uitgesmeerd over mijn huid als ik gedachteloos over een plekje wreef waar ze net bezig waren om over een haartje heen te klimmen. Ook heb ik ze ingeademd en dan hoestend doorgeslikt.

Als er in de zomer een grote vlieg binnen is gevlogen door een openstaande deur en hij toch zeker een uur tegen de ramen tikt op zoek naar een uitweg, doe ik helemaal niets. Ik hoor het zomerse gezoem van een ten dode opgeschreven vlieg, en dat is het dan. Een hommel probeer ik nog wel te redden, maar een vlieg, die zoekt het zelf maar uit. Ik denk dat op de schaal van een vliegenleven mijn willekeur niet te onderscheiden is van de willekeur van andere natuurverschijnselen en dat mij niets wordt verweten.

Het lot is het vliegje op mijn hand gunstig gestemd: ik heb op tijd door dat de kriebel een teken van leven is. Ik heb geen haast of andere dingen aan mijn hoofd, dus ik ga dit individu redden. Ik probeer hem van mijn hand te blazen. Daarvoor breng ik mijn hand richting mijn gezicht en zie de aderen die zijn vleugeltjes structuur geven. Vergeleken bij de wind die het fietsen veroorzaakt doet mijn blazen niet veel. De vlieg zet zich schrap in een storm en grijpt zich met zijn pootjes vast aan mijn huid en haar. Het moet mijn verbeelding zijn, want ik weet dat vliegen geen oogleden hebben, maar ik zou zweren hij zijn oogjes dichtknijpt om meer kracht te kunnen zetten.

Ik fiets door en kijk af en toe of de vlieg nog op mijn hand zit. Zijn vleugeltjes wapperen in de wind. Niet te geloven dat er een hele vlieg past in zijn lijfje. Zijn grip is stevig, en zijn vastberadenheid ook. Hij blijft 10 kilometer zitten.

Bij de poort achter mijn huis stap ik af. Hij zit er nog. Ik open de poort met de hand zonder vlieg. De hand met vlieg houd ik omhoog, zodat ik hem niet vergeet. Ik kijk weer en de vlieg is weg. Geen afscheid of bedankje.